non-profit art organization

AMAI – Antwerp Multimedia Art Initiative

De spiegel van de simpele beesten

December 5th, 2009 by cherokee jon

De Woorden die mijn voorouders uitspraken hebben hun weg gevonden naar mijn leven. Ik heb me verzet tegen deze Woorden. Ik heb onderzoek gedaan. Gezocht naar waar de Woorden en de Dingen samenkomen. Ik heb fouten gemaakt. We kijken alleen via een spiegel het mysterie in en zo vervolgens van aangezicht tot aangezicht. Maar goed, de Woorden zijn dus de Dingen niet. Ze zijn afspiegelingen. Ook wanneer we elkaar aankijken, verdwalen we in een spel van spiegels. Het onafgebroken geblaat van de magere schapen is onkenbaar en zinloos voor de wolf. Hun taaie vlees belooft geen morgen.

J: Alles wat is, is er dankzij de grenzen met wat het niet is. Dat is dit niet.

H: Alvast in jouw woorden en geest. Mensen hebben de neiging de dingen in hokjes te steken. Dat is dat en dit is dit. Dat is dit niet en dit is dat niet. Eigenlijk steken jullie zo jezelf in een kooi. Maar geen enkele boom wil in een hokje staan. Geen enkele boom wil een dak. Jullie zijn afspiegelingen van een falend mensbeeld. Jullie zijn bonsailevens. Vervreemd van elke oprechte emotie, blijft er enkel een ik over dat zich rechthoudt met woorden. Maar woorden bestaan niet,…

S: Ja, mensen hebben zelfs categorieën voor deze eenzame hokjes gemaakt. O, handige categorieën, vormen van het verstand, die de gegevens van de zintuiglijkheid kneden. In jullie kleine, trage wereld zijn ze zo behulpzaam, maar zodra er kortsluiting wordt gemaakt tussen het particuliere en universele, dan pas blijkt niets te zijn wat het is. Of beter: lijkt niets iets te zijn dat het niet is. Of lijkt iets niet te zijn wat het is. De spiegels der simpele zielen.

J: Ik kan niet goed volgen, maar heb begrip voor wij die liegen, want wij kennen onszelf niet. Wij zijn eindig en hebben grenzen. We kunnen niet anders dan stellen dat de werkelijkheid ook eindig is en dus grenzen kent. Maar wat ligt er voorbij die grenzen dan? Het Niets?

H: In mensentaal alvast niet iets dat is. Want dan is het werkelijk en valt het binnen de grenzen van het werkelijke. Dus ja: wat er voorbij die grenzen ligt is het niets. Maar dat niets is ook begrensd.  Het zijn stopt waar het niet zijn begint, dus het Niets stopt waar het Iets begint.  Als het Niets ergens stopt,  heeft het grenzen.

S: Alles wat er niet is, is er dankzij de grenzen met wat er wel is.

J: De werkelijkheid is dus oneindig? Maar als ze oneindig is, is ze onkenbaar. Ik kan me zelfs in de allerverste verte oneindigheid niet voorstellen. Te weinig spiegels ter beschikking. En waarom is dan alles niet liever Niets?

H: Maar er is vooral Niets en al jullie kennis gaat in essentie terug tot een of ander voorwerp. Zonder deze elementen van zintuiglijke oorsprong blijven er alleen maar formele voorwaarden van kennis over. Daar heb je op zich niets aan.

J: Dat zei ik al. Alles wat we van de werkelijkheid ervaren, komt eerst via de zintuigen. We voelen het werkelijke op onze huiden en ogen branden. En de brandwonden in onze geest verdwijnen zacht, zoals de kleurvlekken binnen je gesloten ogen. Het gezicht is de spiegel van de ziel.

H: Er is geen ziel, J. Alvast jij hebt er geen. Een ziel van woorden bestaat niet. Tenzij we het woord ziel gebruiken zoals de Ouden: het ademen. Alles dat ademt, leeft. Alles dat ademt vergeet en wordt vergeten.

S: Spijtig dat zoveel mensen ademen verwarren met spreken. Alsof jullie bij elke ademtocht de wereld willen betoveren met woorden. Wel, de wereld luistert niet meer. Wat zich niet in woorden laat gieten, daarover moeten jullie zwijgen. Zwijgen en ademen.

J: Prima, kom we gaan eten. De zon komt op. De dieren zullen gaan drinken.