non-profit art organization

AMAI – Antwerp Multimedia Art Initiative

Daimon

December 6th, 2009 by cherokee jon

Gij zijt duur gekocht;

Wordt geen dienstknechten

Der mensen

KORINTHIËRS 7 : 23


De mens vreest de stilte. Het moderne individu vlucht het lawaai in. Hij huivert voor de stilte van de oneindige en lege ruimte. Het lawaai dat de hedendaagse mens maakt is een teken van doodsangst, afschuw en onmacht. In de stilte keert elke mens zich naar binnen en moet dan zelf de grenzen zoeken en bepalen. De grote geluiden doen deze grenzen vervagen en hiermee daalt het bewustzijnspeil. Mensen die veel praten, vrezen die stilte het meest.

Innerlijk kan worden gezwegen, terwijl men spreekt. Dit innerlijke zwijgen is niet rationeel van aard. Het moet worden onderscheiden van het innerlijke spreken. Het innerlijke zwijgen is emotioneel van aard. Alle deuren sluiten zich en niets of niemand spreekt tot ons. De wereld heeft geen kleur meer, er is niets en dat zwijgt in ons.

Dan pas hoor je een zachte stem. We horen haar haast nooit, maar ze is er en wordt meestal door onszelf en de anderen overstemd. Bij Socrates was ze kritisch, bij Plato aansporend. Deze innerlijke stem is soms droevig, vurig, grillig of discreet. Ze weeft en fluistert in ons en soms op een onbewaakt moment spreekt ze luidop.

Het ergste zwijgen is het ophouden van deze stem, aldus Dethier. De leegte wordt dan gevuld met allerlei kunstmatige behoeften en driften. Deze pseudo-gevoelens en pseudo-gedachten, die schreeuwerig in de wereld worden uitgebazuind, getuigen van de verveling die het moderne wezen zelf is geworden. Zij of hij wordt dan keuzeloos en contingent. Wanneer deze innerlijke stem zwijgt, wordt de mens droef. De mond zegt niet meer wat het meest stille in ons zou wensen te zeggen. Het is moeilijk deze stem te benoemen. Sommigen zeggen Rede, anderen God of Vertrouwen.  Zen-Boeddhisten spreken van de Stilte of Leegte. De werkelijkheid van een vertrek ligt niet in haar muren, maar in haar ruimte. Een echte mens heeft een ledige ruimte in zich, waarin anderen kunnen gaan en komen.

De spiegel van de simpele beesten

December 5th, 2009 by cherokee jon

De Woorden die mijn voorouders uitspraken hebben hun weg gevonden naar mijn leven. Ik heb me verzet tegen deze Woorden. Ik heb onderzoek gedaan. Gezocht naar waar de Woorden en de Dingen samenkomen. Ik heb fouten gemaakt. We kijken alleen via een spiegel het mysterie in en zo vervolgens van aangezicht tot aangezicht. Maar goed, de Woorden zijn dus de Dingen niet. Ze zijn afspiegelingen. Ook wanneer we elkaar aankijken, verdwalen we in een spel van spiegels. Het onafgebroken geblaat van de magere schapen is onkenbaar en zinloos voor de wolf. Hun taaie vlees belooft geen morgen.

J: Alles wat is, is er dankzij de grenzen met wat het niet is. Dat is dit niet.

H: Alvast in jouw woorden en geest. Mensen hebben de neiging de dingen in hokjes te steken. Dat is dat en dit is dit. Dat is dit niet en dit is dat niet. Eigenlijk steken jullie zo jezelf in een kooi. Maar geen enkele boom wil in een hokje staan. Geen enkele boom wil een dak. Jullie zijn afspiegelingen van een falend mensbeeld. Jullie zijn bonsailevens. Vervreemd van elke oprechte emotie, blijft er enkel een ik over dat zich rechthoudt met woorden. Maar woorden bestaan niet,…

S: Ja, mensen hebben zelfs categorieën voor deze eenzame hokjes gemaakt. O, handige categorieën, vormen van het verstand, die de gegevens van de zintuiglijkheid kneden. In jullie kleine, trage wereld zijn ze zo behulpzaam, maar zodra er kortsluiting wordt gemaakt tussen het particuliere en universele, dan pas blijkt niets te zijn wat het is. Of beter: lijkt niets iets te zijn dat het niet is. Of lijkt iets niet te zijn wat het is. De spiegels der simpele zielen.

J: Ik kan niet goed volgen, maar heb begrip voor wij die liegen, want wij kennen onszelf niet. Wij zijn eindig en hebben grenzen. We kunnen niet anders dan stellen dat de werkelijkheid ook eindig is en dus grenzen kent. Maar wat ligt er voorbij die grenzen dan? Het Niets?

H: In mensentaal alvast niet iets dat is. Want dan is het werkelijk en valt het binnen de grenzen van het werkelijke. Dus ja: wat er voorbij die grenzen ligt is het niets. Maar dat niets is ook begrensd.  Het zijn stopt waar het niet zijn begint, dus het Niets stopt waar het Iets begint.  Als het Niets ergens stopt,  heeft het grenzen.

S: Alles wat er niet is, is er dankzij de grenzen met wat er wel is.

J: De werkelijkheid is dus oneindig? Maar als ze oneindig is, is ze onkenbaar. Ik kan me zelfs in de allerverste verte oneindigheid niet voorstellen. Te weinig spiegels ter beschikking. En waarom is dan alles niet liever Niets?

H: Maar er is vooral Niets en al jullie kennis gaat in essentie terug tot een of ander voorwerp. Zonder deze elementen van zintuiglijke oorsprong blijven er alleen maar formele voorwaarden van kennis over. Daar heb je op zich niets aan.

J: Dat zei ik al. Alles wat we van de werkelijkheid ervaren, komt eerst via de zintuigen. We voelen het werkelijke op onze huiden en ogen branden. En de brandwonden in onze geest verdwijnen zacht, zoals de kleurvlekken binnen je gesloten ogen. Het gezicht is de spiegel van de ziel.

H: Er is geen ziel, J. Alvast jij hebt er geen. Een ziel van woorden bestaat niet. Tenzij we het woord ziel gebruiken zoals de Ouden: het ademen. Alles dat ademt, leeft. Alles dat ademt vergeet en wordt vergeten.

S: Spijtig dat zoveel mensen ademen verwarren met spreken. Alsof jullie bij elke ademtocht de wereld willen betoveren met woorden. Wel, de wereld luistert niet meer. Wat zich niet in woorden laat gieten, daarover moeten jullie zwijgen. Zwijgen en ademen.

J: Prima, kom we gaan eten. De zon komt op. De dieren zullen gaan drinken.