Hoge hakken, hoofddoeken, stropdassen en brandstapels
Elke mens heeft het fundamentele recht om gelukkig te leven. Als dit hoge hakken, stropdassen of hoofddoeken dragen betreft, zie ik geen enkel probleem. Van mij mag het zelfs allemaal tegelijk. De kerntaak van elke gezonde overheid is deze vrijheid te bewaken. Maar ook elk individu draagt deze verantwoordelijkheid. Iemand anders benadelen omwille van een andere levensbeschouwing is onverdraagzaam en een beperking voor die persoon zijn geluk. Dit zijn allemaal mooie woorden, maar zodra ze worden getoetst aan de werkelijkheid, blijken ze zelden waar te zijn. De voorbeelden waar machthebbers een levensbeschouwing opdringen en andersdenkenden proberen uit te roeien, zijn niet te tellen. Hun talloze volgelingen doen vlotjes mee en zingen luidop de hymnen. Zelfs in onze moderne en seculiere wereld worden waakzame mensen langs alle kanten beïnvloed en uiten ze hun opgedrongen levensbeschouwing via symbolen, goederen en vreemd gedrag, al dan niet bewust. Al dan niet gebaseerd op correcte feiten. Ook de empirische en logische steigers waarin onze samenleving is opgebouwd, blijken niet volledig vrij van vooroordelen, bedrog en contextualiteit. De tijden dat men bij wet verplicht was naar de kerk te gaan zijn gelukkig voorbij. Er is terug meer vrijheid van denken. Maar paradoxaal genoeg blijkt ook dit ‘vrije’ denken begrensd.
Weinig ervaring wint het hier van weinig logica. De primordiale vrijheid en gelijkheid waar o.a. Rousseau van droomde, werkt misschien voor zwervende familiegroepen en stammen van jager-verzamelaars, maar niet in steden met miljoenen mensen. Evenmin werken lokale ethische systemen al dan niet gebaseerd op een of andere goddelijke openbaring om alle verschillende culturen vreedzaam te doen samenleven. Een abstractere bestuursvorm dringt zich op. Maar het is gevaarlijk om de werkelijkheid vanuit een puur theoretisch standpunt te benaderen. Zelfs hedendaagse denkers verheffen de absolute aanspraken van het 17e-eeuwse rationalisme nog steeds tot absolute waarheid. Maar, aldus Stephen Toulmin:“de geldigheid ervan blijkt bij nader inzien echter zeker niet absoluut en onvoorwaardelijk, onafhankelijk van omstandigheden en decontextualiseerbaar, maar hypothetisch en bijkomstig te zijn.”1 Inderdaad blijken veel logische en rationele bestuursvormen niet in staat de miljarden mensen vreedzaam te reguleren. Omdat ze fundamenteel toch een standpunt innemen en helemaal niet neutraal zijn. Zodra in een levensbeschouwing de theoretische kant groter wordt dan de praktische kant, is er duidelijk een verstarring en vlucht naar absolute controle waar te nemen. George Orwell beschreef deze absolute controle in zijn boek ‘1984′ en Europa heeft hier inderdaad al 400 jaar last van. Want hoewel iedereen spreekt van de duistere middeleeuwen, wordt de onderdrukking en systematische uitroeiing van o.a. ketters en vrijdenkers pas na de Renaissance monsterachtig. Rond 1600 breekt er iets in Big Brother. Niet toevallig samen met de opkomst van het moderne denken. Tevens is er in de islamitische wereld 100 jaar daarvoor een verstarring in het denken waarneembaar. Evenmin toevallig begint pas dan Europa zijn zuiderburen technisch voorbij te steken. De resultaten mogen er wezen.
Er is het akelige gegeven waar o.a. psycholoog Stanley Milgram in 1960 al op wees en nu weer te zien is in een Franse televisiequiz: in veel gevallen volgen mensen onmenselijke bevelen tegen hun geweten in, omdat de groepsdruk of autoriteit te groot is. Het lijkt mij inderdaad een zeer moeilijke taak om vrijheid te verenigen met deze menselijke, maar gevaarlijke gehoorzaamheid. De overheid moet hier zorgvuldig te werk gaan. Deze kuddegeest wordt al te vaak door politieke en religieuze leiders, maar ook door geldwolven misbruikt. Dit kan deels een verklaring zijn waarom mensen en samenlevingen verstarren. In Europa is deze demagogie de afgelopen veertig jaar terug goed politiek zichtbaar geworden via religieuze, politieke en financiële fundamentalisten. Mensenrechten worden niet alleen in het buitenland geschonden. Vaak verbinden radicale groeperingen in dure propaganda hun individuele vrijheid tot meningsuiting met een minachting voor andere levensbeschouwingen. Het onderscheid tussen egoïsme en individualisme wordt op deze manier niet meer gemaakt. Het is dezelfde impasse waar het zeventiende-eeuwse Europa mee werd geconfronteerd en we zijn goed bezig het kind weeral met het badwater weg te gooien. Om deze redenen vind ik bijvoorbeeld een islamitische hoofddoek dragen hetzelfde als hoge hakken dragen. Beide kunnen de autonome ontwikkeling van de vrouw beperken en plaatst haar (nog meer) in een afhankelijke positie t.o.v. de man. In extreme gevallen wordt het lichaam zelfs tekort gedaan: bij een boerka een chronisch vitamine D-tekort door te weinig zonlicht en bij hoge hakken misvormde ledematen, beschadigde zenuwen en rug, valpartijen, breuken, enz…. In beide gevallen breken er botten. In beide gevallen draait het om iemand anders te behagen en te dienen. Niet altijd een boerka dragen en niet altijd hoge hakken dragen is een voor de hand liggende oplossing. Maar daar knelt het schoentje: achter het krampachtig vasthouden en opleggen van symbolen en idealen, verbergt zich meestal een onzeker iemand op zoek naar zekerheden. Ook de man draagt een stropdas en symbolisch gebonden aan benen, nek of hoofd, speelt iedereen een bevreemdende rol in het spel van groepsdruk, statusangst en paringsdans.
Het denken in stereotypen vereenvoudigt de wereld en in een eenvoudige wereld lijkt geluk makkelijker te vinden. Daarom accepteren mensen boerka’s, hoge hakken en slecht zittende pakken. Bekeringsdrang, onverdraagzaamheid en onverschilligheid zijn maar enkele gevolgen van dit beperkte en soms pijnlijke gedrag. Maar de groepsdruk weegt. Een overheid moet ervoor zorgen dat drukkingsgroepen binnen elke samenleving op een humane wijze met elkaar leren omgaan om elkaars verschillen te kunnen respecteren. Niet alleen via wetten, onderwijs en propaganda, maar via alle mogelijke kanalen. Zoals aantrekkelijke en actieve inburgeringsprogramma’s in alle grootsteden per wijk waar alle inwoners gratis aan deelnemen. Want niet alleen allochtonen hebben vandaag nog steeds nood aan socialisatie. Grondig onderzoek heeft aangetoond dat racisme en vooroordelen alleen maar verdwijnen wanneer beide partijen samen gericht taken en problemen oplossen. Pas wanneer alle partijen concreet samenwerken, ontdekken ze opvallend snel hun gelijkenissen en vergeten de verschillen. Helaas hebben overheden vaak zelf een verborgen agenda. Ik ga het daarom niet hebben over de georganiseerde moorden, martelingen en verminkingen die gebeuren in landen waar fundamentalistische groeperingen vrij spel krijgen. Een internationaal orgaan zoals de V.N. kan niet anders dan alle middelen inzetten om deze wantoestanden tegen te gaan. Maar ook daar zijn ze blijkbaar het noorden kwijt of komen ze rijkelijk te laat.
Het succes van de extreme politieke, religieuze en financiële groeperingen doet vermoeden dat velen wel gelukkig willen zijn, maar niet meer weten hoe. Het gebrek aan nuancering en verdraagzaamheid verscherpt het stigmatiseren. En de oorlog voedt zichzelf. Naarstig wordt er naar een zondebok gezocht. Dit zie je ook in het hoofddoekendebat dat in Europa zijn kop opsteekt en vandaag ook in het Vlaamse onderwijs. Maar niet elke moslim wordt een fundamentalist, zoals niet elke joint-roker een heroïneverslaafde wordt. Wat opvalt is dat voor- en tegenstanders vaak dezelfde argumenten hanteren, enkel de eigennamen veranderen om zo elkaars extreme kantjes in de verf zetten. Ik heb geleerd dat dogma’s de praktische kant van het leven vaak onmogelijk maken. Ik vind het zeker raar om een moslimmeisje te zien verkondigen dat ze beperkt wordt in haar vrijheid wanneer haar een symbool van onderdrukking wordt ontzegd. Maar wat is het verschil met een populistisch politieker die in naam van de vrijheid anderen vrijheid ontzegt? En zo zie je het praktische leven aan kwaliteit inboeten, omdat het theoretische (zowel bij voor- en tegenstanders) overweegt: zeventiende-eeuwse toestanden van theorieën vol tegenstellingen en hiaten. Nogmaals: zodra een levensbeschouwing theoretisch groter wordt dan praktisch, is er duidelijk een verstarring in het denken waar te nemen. Het is niet de eerste keer dat we zoiets meemaken. Daarom weten we dat intolerantie niet het enige werkbare antwoord is op intolerantie. De taak is de intoleranten daarvan te overtuigen. Non bellum se ipsum alet.
Laten we even terug in de tijd gaan. Midden in de dertigjarige oorlog, rond 1630, was er geen enkele ethische, politieke of religieuze eenheid in Europa te bespeuren. Deze levensbeschouwelijke oorlog trof heel Europa in haar hart, maar werd vooral op Duits grondgebied uitgevochten. Zelfs natuurkundig stonden de Europeanen met getrokken messen over elkaar. In deze gewelddadige tijden met miljoenen slachtoffers, zochten de filosofen naar een nieuw uitgangspunt voor het denken. Ze probeerden nieuwe grondslagen te vinden in de gemeenschappelijke ervaringen van alle mensen. Grondslagen of uitgangspunten die via logica en ervaringen werden ondersteund en niet uitgingen van een of ander schriftuur of lokaal gebruik. Europa wilde herbeginnen met een schone lei. Opmerkelijk is dat de eeuw voor deze Europese oorlog enorm verdraagzaam was. De zestiende eeuw was de eeuw van Michel de Montaigne die over preutsheid en seks en scheten schreef. Het was de eeuw van de humanisten Erasmus, Rabelais en Shakespeare. Zij waren de laatmiddeleeuwse denkers die dankzij teksten uit de klassieke oudheid zich bevrijd zagen van het middeleeuwse conservatisme. Toch maakten ze niet de stap naar de moderne wereld van logica, rationaliteit en empirisme. Wat vooral opvalt bij lectuur uit de zestiende en zeventiende eeuw is de rust en onthechting die spreekt uit de logische en empiristische denkers van de 17e eeuw en de uitermate rake menselijke beschrijvingen en lichamelijkheid van de late middeleeuwers. Het moderne wereldbegrip begint vanaf denkers als Descartes, Leibniz en Newton (maar ook nog vele anderen) een abstracte ruimte te worden, sterk geordend door de natuurwetten. Op deze manier probeerden ze de chaos waarin hun ouders en zijzelf leefden op te lossen. Door de warboel van levensbeschouwingen die het bonte deken van de Renaissance maakten en de gruwelijke oorlogen die erop volgden, zochten de Europese denkers het terug hogerop in de kosmos, de hemelse Orde geregeerd door onwrikbare krachten en natuurwetten met meetkundige zuiverheid. Athene werd volwassen uit het hoofd van Zeus geboren. In zekere zin is dit ook een fundamentalisme.
Voor de rationalisten, zoals Descartes, lag het uitgangspunt in de gemeenschappelijke basisbegrippen die alle mensen delen. Het waren zijn bekende ‘heldere en duidelijke ideeën’. Descartes geloofde dat de euclidische meetkunde helder en duidelijk in alle mensen aanwezig was. Deze eeuwige ideeën vormden zo voor Descartes het uitgangspunt voor elke levensbeschouwing. Voor de empiristen zoals John Locke lag dit uitgangspunt in gemeenschappelijke zintuiglijke voorstellingen. Beide denkers waren ervan overtuigd dat een filosoof zich moest vrijmaken van de tegenstellingen in traditionele, overgeërfde en lokale denkwijzen. Maar de empiristen stelden de noodzaak voor zekerheden en absolute waarheden minder centraal dan de rationalisten. Dit is een belangrijk detail waarvan de gevolgen schitterend worden beschreven in Stephen Toulmin’s boek ‘Kosmopolis’. In het huidige debat over wat neutraliteit precies inhoudt, zie je deze eeuwenoude verschillen terugkeren. De Angelsaksische (vroeger empirische) visie op neutraliteit is dat alle religieuze symbolen zijn toegelaten, de continentale (rationalistische) visie zegt geen enkel symbool is toegelaten in openbare functies. Beide visies getuigen van een specifieke invulling van het begrip neutraliteit. Beide hebben waarde. Het enige verschil lijkt mij dat de rationalistische visie een beperking invoert. Ze gaat uit van een fundamentele visie van de mens als neutrale burger, ontdaan van plaatselijke en tijdelijke eigenaardigheden, geplaatst in een abstract en platonistisch universum. Op deze manier creëert men net opstandigheid. Geen enkele mens wil abstract zijn, maar concreet. In het secundair onderwijs in Vlaanderen is gebleken dat bij levensbeschouwelijke vakken atheïsten en verschillende gelovigen perfect kunnen samenwerken, wanneer ze uit vrije wil aan deze lessen deelnemen. Verplicht de jongeren wegens bijvoorbeeld een lerarentekort een andere levensbeschouwelijke les bij te wonen en de verstarring is onmiddellijk waar te nemen. Ik ben van mening dat het verbieden van hoofddoeken op school het gevaar met zich meebrengt dat de verstarring alleen maar groter wordt. De grote zekerheden waarmee we nu schermen om een hoofddoek te verbieden, zijn helemaal niet zo zeker. Vaak zijn ze ook maar een doekje voor het bloeden. Maar ik ben er wel van overtuigd dat de logische en empirische levensbeschouwing meer oplossingen biedt dan een of andere goddelijke openbaring. Descartes heeft gelijk dat we met heldere en duidelijke ideeën onze wereld moeten benaderen, maar deze hersenspinsels moeten continu worden getoetst aan het concrete en aanwezige van de werkelijkheid. Daarom is kritisch over je eigen meningen en die van anderen durven denken zo belangrijk. In een democratie worden geschillen opgelost door te praten en te overtuigen. Niet door te verbieden. Ook Plato had kritiek op de boeken van Homerus omdat er gevaarlijke onwaarheden over de werkelijkheid instonden. Eigenlijk vanaf het moment dat de moderne anatomie spraak en nieuwe hersenfuncties mogelijk maakten, zie je een versnelde ontwikkeling naar betere kennis en beheersing van de omgeving. Dit katalytisch proces zie je echter niet overal in de wereld gebeuren. Net door het gebrek aan kritiek. Sommige culturen die aanvankelijk hoger ontwikkeld waren dan anderen, verstenen plots door nieuwe inzichten of uitvindingen te weigeren of te negeren. Een prachtig voorbeeld is het middeleeuwse Japan dat omstreeks 1543 kennis maakte met de vuurwapens van twee Portugezen en rond 1600 meer en betere geweren bezat dan de rest van de wereld. Toch konden conservatieve krachten (i.e. de samoerai) de acceptatie van vuurwapens tegenwerken tot er vrijwel geen enkel geweer meer overbleef. Het duurde tot 1853, toen de Amerikaanse vloot o.l.v. kapitein Perry verscheen met duizenden kanonnen, vooraleer Japan de noodzaak van vuurwapens weer begreep. Ook China, Tasmanië, Polynesische eilanden en sommige islamitische landen staan weigerachtig tegenover de groei van praktische manieren om het heden te verbeteren. Hoewel tot 1500 de islamitische wereld technologisch en maatschappelijk veel verder stond dan Europa, zie je nu net het tegenovergestelde. Het teruggrijpen naar oude teksten en hun wetten om moderne samenlevingen te besturen, kan inspirerend werken, maar is zelden praktisch haalbaar zonder bloedvergieten. Zelfs seculiere wetten en wetenschappelijke theorieën zijn in geen tijd achterhaald. De levenskunst is een praktische opgave in het heden die begrip toont voor het tijdelijke, toevallige en zelfs foute karakter van elk individu.
Vanaf 100.000 tot 50.000 jaar geleden, toen de eerste mensen hun werktuigen bewust verbeterden en 40.000 jaar later de overgang naar een sedentair bestaan maakten, tot de moderne steden nu, zie je de mens zijn omgeving ontginnen, interpreteren, gebruiken en veranderen om zijn leven te verbeteren. Het punt is dat de mens sinds zijn ontstaan, door een beter praktisch inzicht in de omgeving, tot complexe samenlevingen is kunnen evolueren. Alle grote theorieën kwamen pas achteraf. Deze tienduizenden jaren van proberen en variëren hebben de veelkleurige culturen voortgebracht die allen variëren en proberen op ethisch, politiek en religieus vlak. Zeker hebben sinds de moderne tijd de grote denksystemen bijgedragen tot het verwerken van gigantische hoeveelheden informatie. Maar het gevaar is dat de mens een punt wordt in deze abstracte denkruimte, ontdaan van elke concrete menselijkheid. De natuurwetenschappen zijn de heilige graal van objectiviteit en universaliteit gebleken voor de Europeanen. Deze methodiek werd de afgelopen vier eeuwen dan ook al te graag toegepast in alle kennisgebieden van de mens. Pas op het einde van de twintigste eeuw blijkt deze methodiek, hoe nauwkeurig en voorspellend ook, ontoereikend en eveneens beïnvloedbaar door de omgeving. Het is ontzettend moeilijk om vanuit een eindig wezen als de mens, algemene uitspraken te doen. In de miljarden jaren dat de werkelijkheid is gevormd, is de moderne anatomische mens pas de laatste 100.000 jaar ontstaan. Onze Europese moderniteit pas 400 jaar geleden. Nog geen 152 jaar geleden begreep Darwin iets beter waar we echt vandaan komen. Niks meer, niks minder. Wij zijn dieren. Het is aan ons om terug een plaats te verdienen onder alle andere levende wezens. Vasthouden aan een of andere ‘absolute’ waarheid, hetzij wetenschappelijk, hetzij religieus, werkt alleen maar verstarring en zelfs achteruitgang in de hand.
Ik pleit dan ook voor een echt actief pluralisme, waar alle levensbeschouwingen elkaars verschillen respecteren om als mensen op zoek te gaan naar de gelijkenissen onder de hoofddoeken, boven de hoge hakken en achter de slechtzittende pakken. O ja, en wij willen ook geen brandstapels meer.
1Stephen Toulim, Kosmopolis, Verborgen agenda van de Moderne Tijd, blz. 232, 1995, PELCKMANS, Kapellen